Vaststellingsovereenkomst en de advocaat

Als de werkgever het voor de beëindigingsovereenkomst van belang vindt om te weten of de betrokken werknemer al dan niet een andere werkkring heeft dan moet hij daar naar informeren of althans laten blijken door daar een opmerking over te maken dat dat voor hem van belang is. Doet hij dat niet dan kan hij de werknemer achteraf niet verwijten dat hij informatie heeft achtergehouden.’ Advocaten arbeidsrecht gebruiken de beëindigingsovereenkomst veelvuldig in het hedendaagse arbeidsrecht.

In de lagere rechtspraak doet zich inmiddels een ontwikkeling voor om de werknemer een mededelingsplicht toe te bedelen als hij reële mogelijkheden heeft op een andere werkkring. Als de werkgever uitdrukkelijk vraagt naar de mogelijkheden van een andere werkkring en de werknemer liegt daarover dan kan de werkgever de beëindigingsovereenkomst en dan natuurlijk vooral dat deel daarvan dat betrekking heeft op de hoogte van een mogelijke vergoeding aan de werknemer met een beroep op dwaling of bedrog ongedaan maken.

Mededelingsplicht 

De mededelingsplicht voor zowel de werkgever als de werknemer houdt in dat de ene partij tegenover de andere partij gehouden is om binnen redelijke grenzen die maatregelen te nemen die er voor moeten zorgen dat wordt voorkomen dat onder invloed van onjuiste veronderstellingen toestemming tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt gegeven. Deze gehoudenheid gaat volgens de Hoge Raad” echter weer niet zover dat de ene partij niet zou mogen afgaan op de juistheid van door de andere partij gedane mededelingen.

Op hem rust op dat punt dus geen onderzoeksplicht. De onjuistheid van de mededeling maakt het mogelijk dat in beginsel een beroep kan worden gedaan op dwaling. In beginsel, omdat de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval met zich kunnen brengen dat de dwaling voor rekening van de dwalende partij behoort te blijven.’ 

Causaal verband 

Wil een beroep op dwaling of bedrog kunnen slagen dan zal de betrokkene aannemelijk moeten maken dat er een causaal verband bestaat tussen de dwaling of het bedrog en het tot stand komen van de beëindigingsovereenkomst. Het gaat er dan dus om dat aannemelijk wordt gemaakt dat de beëindigingsovereenkomst niet of niet onder de-zelfde voorwaarden tot stand zou zijn gekomen als de dwaling of het bedrog zou zijn.

Bij de uitleg van de overeenkomst bepalingen komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op wat zij op dat punt redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een en ander brengt wel met zich dat wanneer een overeenkomst in redelijkheid niet voor meer dan één uitleg vatbaar is een toetsing ervan aan de zogenoemde Haviltexnorm niet aan de orde komt

Is de beëindigingsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst

Als een werkgever en een werknemer een beëindiging van de arbeidsovereenkomst overeenkomen dan doen zij dit met het oogmerk om een onzekerheid of een geschil te beëindigen of te voorkomen. Als dit aan de orde is, kan een beëindigingsovereenkomst ook een vaststellingsovereenkomst (zie art. 7:900-906 BW; zie 9.6) zijn. Net als bij een beëindigingsovereenkomst gelden er voor een vaststellingsovereenkomst geen vormvoorschriften en kan een vaststellingsovereenkomst dus ook mondeling worden afgesloten. 


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *